De GKS in de eerste 50 jaren
De GKS van 1885 tot 1933

Oprichting in een tijd van dreigende kerkscheuring

In 1885 werd de Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen der Nederduits Hervormde Gemeente te Amsterdam opgericht.
Het bestuur werd gevormd door een ' commissie tot het bestuur van de diaconiescholen'.

Dr. J. Woltjer, een vooraanstaand onderwijskundige wees bij de opening van de Kweekschool op het belang van de praktische vorming en dat onderwijzen een kunst is.
De kweekschool, die voornamelijk in de 20e eeuw opkwam was over het algemeen nogal theoretisch van aard met nauwelijks praktische vorming in de lagere school, dit in tegenstelling tot de eerdere opleidingsvorm - de Normaalschool, die trouwens nog langs naast de Kweekschool bleef bestaan. Zie de tabs voor meer....

  • Woltjer over doel van de school
  • Kweekscholen naast Normaalscholen
  • Tabblad 2

dr. J. Woltjer

Dr. J. Woltjer, destijds hoogleraar pedagogiek aan de Vrije Universiteit sprak bij de opening van de Kweekschool over het vormen van gereformeerde onderwijzers als doel van de school:

Die vorming is nodig, onderwijzen is een kunst waartoe men moet worden bekwaamd. Kennis is alleen niet voldoende, er dient bij deze opleiding op inhoud en vorm, stof en methode worden gelet. Niet alleen is het de vraag wat men weten moet, maar ook hoe men het geleerde zal gebruiken.
Ook op de eisen daar praktijk dient gelet, en daarom zullen de kwekelingen de twee laatste jaren van een opleiding praktische vorming ontvangen op de diaconiescholen, waar zij dagelijks zullen werkzaam zijn, om zodoende het gehele schoolwezen te leren kennen.

Bij de start van de Kweekschool was er, ondanks de in die tijd voorkomende overaccentuering van de kennis, aandacht voor de praktische vorming van toekomstige onderwijsgevenden. Er was ruimte voor kennis en kunst (naar: Wim Westerman in "Gedenkschrift GKS CPA 99 jaar').
Zie in dit kader ook de tab 'Kweekscholen naast Normaalscholen'.

 

Kweekscholen naast Normaalscholen als opleidingen tot onderwijzer.

In de 19e eeuw was dé opleiding tot onderwijzer de Normaalschool. Tot ver in de 20e eeuw bleven er normaalscholen, naast de opkomende kweekscholen.
Op de normaalschool werd er les gegeven in de avonduren en op de zaterdag. En de leerlingen werkten overdag in een lagere school, onder toezicht van een onderwijzer, die je het vak leerde. De opleiding bestond dus voornamelijk in de praktijk van een lagere school. Op de normaalschool werd kennis der vakken verdiept.

De kweekschool was een dagopleiding, die nogal theoretisch van aard was.
Practische vorming was er niet in de eerste leerjaren. Alleen in de laatste jaren maakte men kennis met de lagere school praktijk.

Kritiek op het niet praktische karakter van het kweekschoolonderwijs
Landelijk was er veel kritiek te horen op de overaccentuering van kennis en de minimale praktische vorming, waardoor het zwaartepunt van de opleiding buiten de lagere school kwam te liggen.
Staatscommissies spraken in 1910 en in 1916 uit dat aan de praktische vorming meer aandacht besteed diende te worden en dat een praktijkexamen aan het einde van de opleiding ingevoerd zou moeten worden.
Dat gebeurde pas veel later in 1952 met de invoering van de Kweekschoolwet.
In 1968 verdween dit praktijkexamen weer.

Over het doel van de Kweekschool en de discussies over het praktsch gehalte van de kweekscholen

Oprichter
dr Abraham Kuyper

Conflict binnen de Hervormde Kerk dat leidde tot kerkscheuring

Rond de tijd van de oprichting was er een heftige strijd gaande in de Hervormde Kerk, de grootste protestantse kerk in Nederland. Er was een groep 'de dolerenden', naderhand de 'Gereformeerde richting' genoemd, ontstaan die de kerk meer orhodox ('recht in de leer') wilde laten zijn. Zie doleantie.
In 1886 leidde dit tot een kerkscheuring. De dolerenden scheidden zich af van de Hervormde Kerk in formeerden zich in een nieuwe kerk, de Nederduits Gereformeerde Kerk.

De gevolgen van het kerkelijk conflict voor de Kweekschool.
Ook de Kweekschool werd hierin betrokken. Een van de oprichters dr. Abraham Kuyper scheidde zich ook af, maar het bestuur van de diaconiescholen niet. Echter alle leden van de subcommissie, die namens het bestuur der diaconiescholen de Kweekschool beheerde, behoorden tot de dolerenden en werden kerkelijk geschorst en ze werden daarom ook als schoolbestuurders geschorst. Er was dus een breuk met het hoofdbestuur van de diaconiescholen, wat hoog opliep.
Via een brief van 29 juli 1896 kreeg de Kweekschool het bericht dat zij per 1 januari 1887 zou worden opgeheven.
Maar er werd dadelijk vanuit de geschorste subcommissie het initiatief genomen tot oprichting van 'eene Vereeniging tot stichting en instandhouding eener Gereformeerde Kweekschool voor onderwijzers en onderwijzeressen te Amsterdam'. De school ging op 1 februari 1887 door, alsof er niets was voorgevallen.
De grote moeilijkheid was dat zij geen financiële middelen meer van de diaconiescholen ontving.
Er werd flink geworven voor financiële middelen tot in Friesland en Groningen toe. Uiteindelijk verschafte het ministerie een kleine subsidie (4500 gulden in 1891)..


directeur
H. Bijleveld

H. Bijleveld was de eerste directeur. Van 1885 tot 1913.
Tevens was hij lid van de Tweede Kamer van 1902 tot 1905.

In een rede over "hoe en waartoe men opleidt" sprak hij de woorden
"We leiden op tot een Godverheerlijkend leven. Op de Kweekschool heerst Gods Woord, dat geen enkele ontwikkeling belet, die veeleer bevordert".

In het gedenkboek '75 jaar GKS' werd Bijleveld gekenschetst als 'schoolmonarch'.
Zie het artikel, geschreven door A.J. Anes.

De GKS onder directeur Bijleveld

Huisvesting
De Kweekschool huurde een onderkomen op de Keizersgracht nummer 633 voor 1600 gulden per jaar. Later verhuisde de GKS van nummer 633 naar 107, dat grensde aan de Keizersgrachtkerk, de kerk van de 'dolerenden'. In 1889 betrok de GKS een gebouw in de Kerkstraat.

De cursusjaren opzet
In het eerste jaar werden 25 leerlingen, die het toelatingsexamen hadden gehaald toegelaten.
Tot 1905 was de opleidingsduur 6 jaar. Een voorbereidende klasse van 2 jaar voor leerlingen in de leeftijd van 12 tot 14 jaar, gevolgd door een 4-jarige cursus, bestaande uit 2 klassen; de eerste voor 14 tot 16 jarigen en de tweede voor 16 tot 18 jarigen. In 1905 werd de voorbereidende klasse afgeschaft, waardoor de opleiding vierjarig werd.

De leerlingen
Het aantal meisjes was veel groter dan het aantal jongens, vooral tussen 1898 en 1905.
Na 1905 werd deze verhouding evenwichtiger, omdat de 'Vereeniging voor het C.N.S' meer geld voor de kweekschool beschikbaar stelde, maar alleen voor de jongens. En ook vanwege de verbetering van het salaris van onderwijzers, waardoor meer jongens uit de burgerstand zich aanmeldden.
Oud-leerlingen organiseerden zich in de vereniging "Ouwe Getrouwen". In het begin waren er twee reünies per jaar, later een keer per jaar. Er was ook een "O.G.-krant" en een lied met een
refrein.

Kerk en school
De Gereformeerde Kweekschool werd van een 'kerkelijke' school een zelfstandige instelling zonder enige kerkelijke binding, mede dank zij de ministeriële subsidie en de tractaten.

Prof dr J. Waterink

 

Wel was er een sterke band met de Gereformeerde Kerken in Nederland. Zo was de bekende pedagoog en psycholoog aan de Vrije Universiteit prof. dr. J. Waterink bestuurslid van de GKS. De Vrije Universiteit te Amsterdam was de universiteit voor de gereformeerde zuil.

Prof Waterink, was binnen de Gereformeerde zuil invloedrijk. Zo schreef hij het boek "Brieven aan jonge mensen" dat onderwerpen als toekomst, levensstijl, sexueel leven, kerk en maatschappij behelsde. Dit boek werd tot in de jaren 60 gelezen door gereformeerde jongeren.


Directeur
R. Venema

De GKS van 1913 tot 1936 onder directeurschap van Venema

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was de situatie moeilijk, ondanks dat Nederland niet rechtstreeks in deze oorlog betrokken was. Zo was brandstof moeilijk te verkrijgen, waardoor er slechts aan twee klassen tegelijk les gegeven kon worden.
In 1920 werd de financiële situatie beter, vanwege de financiële gelijkstelling van bijzonder en openbaar onderwijs, vastgelegd in de Lager Onderwijswet.
In 1923 kreeg de GKS eigen examenrecht.
In de crisisjaren kregen afgestudeerden nauwelijks tot niet een baan.
Wel konden zij soms werken in een lagere school als 'kwekeling-met-akte', waarvoor zij geen tot nauwelijks enig salaris ontvingen.
Venema over deze moeilijke periode tgv hetr 50 jarig bestaan.
Zie voor meer informatie een artikel uit het gedenkboek "75 jaar GKS".

Een eigen gebouw kreeg de GKS in 1933 in de Dintelstraat,
waarover meer op pagina 'De GKS van rond 1933 tot 1969'

 

De GKS van 1885 tot 1933 © Disclaimer